|
Een tegenvaller voor Twence was dat minister Wijn van Economische Zaken op 18 augustus 2006 abrupt een einde maakte aan de MEP, een subsidieregeling voor het stimuleren van duurzame energie.
Bij de bouw van de Derde verbrandingslijn zou deze subsidie een deel van de onrendabele investering compenseren voor de warmtelevering. Zonder deze subsidie wordt de economische haalbaarheid van dit onderdeel van het project een stuk lastiger.
De minister had twee argumenten voor het beëindigen van de subsidie. Het eerste was dat Nederland volgens hem op schema zou zitten met het invoeren van duurzame energie. Extra stimuleringsmaatregelen waren daarom in zijn ogen niet meer nodig. Zijn tweede argument was dat de MEP vanwege het ‘open eind’ karakter voor EZ een budgettaire tijdbom dreigde te worden.
Dat neemt niet weg dat iedereen die in Nederland bezig was met het opzetten van projecten voor duurzame energie onaangenaam verrast was door dit besluit van de minister.
Bij de Vereniging Afvalbedrijven waren ze helemaal verrast omdat de vereniging - na langdurige onderhandelingen - juist met het ministerie van Economische Zaken een aangepaste regeling was overeengekomen. Daarin werd avi’s een hogere vergoeding uit MEP-gelden in het vooruitzicht gesteld, als het rendement van de installatie door warmtelevering zou worden verhoogd. Deze overeenkomst dateerde van 15 juni dit jaar. Amper twee maanden later veegde de minister eenzijdig alles van tafel.
Twence, een van de gedupeerden, had in het ontwerp van de Derde verbrandingslijn speciaal rekening gehouden met de afzet van warmte, naast het opwekken van elektriciteit. Die extra warmtelevering heeft als voordeel dat het energetisch rendement nóg hoger is dan bij het opwekken van elektriciteit uit afvalverbranding. Omdat het gaat om duurzame energie, levert een hoger energetisch rendement direct milieuvoordeel op.
Twence wilde de MEP gebruiken, om de extra investeringskosten voor de warmtelevering te compenseren.
Die extra investeringen zijn nodig omdat voor de warmtelevering geen gebruik gemaakt kan worden van een reeds bestaande infrastructuur, zoals bij elektriciteit wel het geval is. Daarom moeten onder meer ondergrondse leidingen worden gelegd, voor het transporteren van de vrijgekomen warmte naar de afnemers.
|