Wat doen wij
Rookgasreiniging

 

Bij verbranding ontstaan rookgassen. Deze bevatten, in de vorm van gassen of fijne deeltjes, altijd diverse chemische stoffen in hogere gehaltes dan goed is voor het milieu. Om te voorkomen dat deze in het milieu terecht komen worden de rookgassen gezuiverd voordat zij via de schoorsteen vrijkomen. Dit gebeurt in een zogeheten rookgasreiniging. Bij Twence maakt deze qua volume ongeveer de helft van de verbrandingsinstallatie uit.

Een rookgasreiniging bestaat uit een aantal onderdelen.

Vanuit de verbrandingsoven met de ketel worden de gassen, die op dat punt een temperatuur van circa 250 graden hebben, langs een elektrofilter gevoerd. Dit filter vangt het grove stof, de zogenaamde vliegassen, op.

Bij een ‘natte’ installatie, zoals wij die hebben in onze bestaande twee verbrandingslijnen, komt het gas daarna in een wasinstallatie. Deze filtert vooral die stoffen die makkelijk in water oplossen zoals SO2 (zwaveloxide, een van de boosdoeners voor zure regen) en HCl (zoutzuur).

In de wasinstallatie daalt de temperatuur van de gassen tot circa 60 graden.

Je kunt de werking van de ‘natte’ installatie vergelijken met die van een waterpijp.

Na de wasinstallatie komt het doekenfilter, waar een nadere reiniging plaatsvindt met behulp van adsorbens (stoffen die een andere stof kunnen binden) zoals actieve koolstof (Norit), kalk of natriumbicarbonaat (bakpoeder). Hier worden tevens de fijne stofdeeltjes opgevangen

De volgende stap is de denoxinstallatie voor het filteren van stikstofoxiden. Voor dit proces is een hogere temperatuur nodig. Daarom worden de gassen verwarmd tot 240 graden. In het denoxfilter worden met behulp van ammoniak de stikstofoxiden verwijderd, door omzetting in ongevaarlijke stoffen als waterdamp en stikstof.

Na de denox worden de gassen met een grote ventilator in de schoorsteen geblazen. Ze bevatten dan nog nauwelijks schadelijke stoffen.

Droge installatie

Hoewel een ‘natte’ installatie zijn werk zeer goed doet heeft hij ook minpunten en dat zijn het verbruik van water voor het ‘wassen’ en het gebruik van energie (aardgas) voor het opnieuw op temperatuur brengen van de gassen.

In Europa is nu bepaald dat er niet alleen meer naar de uitstoot van verbrandingsinstallatie gekeken moet worden, maar ook hoe deze bereikt wordt , vooral wat betreft de verbruikte hulpstoffen.

Omdat een ‘droge’ installatie geen water verbruikt (voor Twence circa 100.000 m3/per jaar) en aanzienlijk minder energie voor het (her)verwarmen van de rookgassen vergt, scoren de moderne droge installaties op dit punt beter.

Een andere ontwikkeling is dat de adsorbens de laatste jaren enorm verbeterd zijn waardoor het filteren in het doekenfilter steeds betere resultaten geeft. Hierdoor is het ook met een droge installatie mogelijk emissiecijfers te bereiken die ver onder de wettelijke norm liggen.

Dat maakt, vooral ook vanwege het energieverbruik, dat in de nieuwe installaties steeds vaker de droge methode wordt toegepast. Bij Twence is hier ook voor gekozen, voor zowel de derde verbrandingslijn als ook de Biomassa Elektriciteits Centrale.